![]() |
Spuithuis Leidsewallen (1921) |
|
• |
|
|
|
|
Als het spuithuis bij de Oude Kerk niet meer voldoet wordt in 1921 een nieuw brandspuithuis gebouwd op de Leidsewallen voor de spuit van Zegwaart en voor die van Zoetermeer gecombineerd met arrestantenlokalen. In 1936 wordt het oude spuithuisje van de Dorpsstraat gesloopt en de grond wordt overgedragen aan de Hervormde Kerk.
Tegenover het spuithuis in het latere Italiaans restaurant Genova was een café gevestigd. Eén van de medewerkers van het café was ook werkzaam bij de brandweer. Na het oefenen konden de mannen daar terecht en kon er gedronken worden. Het oefenen heeft op die manier dan ook een sterk sociaal karakter. Brandweerslangen worden na inzet of oefening te drogen gehangen aan de toren van de Oude Kerk. Organisatie LeidsewallenSinds de komst van eerste handspuit is de werkwijze van de brandweer niet substantieel veranderd. De brandweer valt rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de gezamenlijke burgermeester voor beide dorpen. Het personeel van de brandweer wordt nog steeds "aangewezen" op basis van de gemeentelijke verordening. De verordening uit 1894 is nog steeds van kracht. De gemeente Soetermeer heeft twee spuiten, één in het spuithuis aan de Voorweg 151 en één in het Spuithuis Leidsewallen. De gemeente Zegwaart heeft ook twee brandspuiten één in het spuithuis aan de Zegwaardseweg (72) en een in en één in het Spuithuis Leidsewallen. Beide dorpen samen beschikkend over twee brandmeesters bijgestaan door 4 commandeurs. Ten behoeve van de handspuit is veel personeel nodig. Per spuit zijn 2 spuitgereedsmakers , 2 pijlleiders, 4 slangleiders en 36 pompers nodig. Dit betekend per spuit 53 personen.(zie personeelslijst van gemeente Zegwaart) Het groot aantal pompers is nodig om te zorgen voor aflossing. Binnen de beide gemeentes zijn ruim 200 inwoners aangewezen ten behoeve van de brandweer. Geoefend wordt wanneer nodig geacht. In 1921 krijgt brandmeester Groenheijde van het dorp Zegwaart een auto. Vanaf die tijd wordt de handbrandspuit van Zegwaart met de auto naar de brand gereden. Zoetermeer en Zegwaart anno 1925Anno 1925 telt Zoetermeer ongeveer 1670 inwoners en Zegwaart 2332 inwoners. Provinciaal bestuur van Zuid-HollandTot aan de tweede wereldoorlog ligt de controle op de kwaliteit van de brandweer bij de provincie. In 1927 wordt de gemeente Zegwaart en Soetermeer aangesproken op de zorg van de brandweer. Zo wordt verzorgt tot aanschaf van een motorspuit en verplichten tot minimaal twee keer per jaar oefenen. Gemeente Zegwaart vraagt al vanaf 1924 diverse offertes aan voor motorspuiten, echter het gemeente bestuur geeft aan te wachten op de komt van het waterleidingnet. Waterleidingbrandweer (1928)In de eind jaren ‘20 van de vorige eeuw worden Soetermeer en Zegwaart op het waterleidingnet aangesloten. De watertoren die deel maakt uit het waterleidingnet en stamt uit 1927.
Dit betekend een verbetering voor de brandbestrijding voor de beide dorpen. Op de aanwezige brandkranen kan men rechtstreeks slangen aansluiten. Hiervoor zijn op de drie spuithuisjes elk een kist (slagenwagen) aanwezig met materieel ten behoeve van aansluiting op de brandkranen. In geval van een grote brand kan op verzoek van de burgmeester aan het waterleidingbedrijf "De Tien Gemeenten" kan de waterdruk uit de watertoren ook worden opgevoerd door een pompaggeraat. Dit gebeurd met grote uitzondering om dat drukverhoging aangezien dit dan geld voor heel het leidingnet, met gevolgen van dien.
De vier brandspuiten blijven in gebruik en staan verspreid over de spuithuisjes. Een aan de Voorweg een aan de Zegwaartseweg en twee in het spuithuis aan de Leidschewallen. Het spuithuis van Leidschewallen wordt gebruikt door Zegweart als door Zoetermeer. De waterleiding van de brandweer bestaat uit een groep vrijwilligers onder de aangewezen burgers van de beide dorpen. Ten behoeve van de bediening van al de brandspuiten zijn nog ca. 100 personen in de beide gemeentes aangewezen. Het handspuitpersoneel van Zoetermeer is zichtbaar op deze lijst uit 1932 De handspuit wordt steeds minder gebruikt. De woningen van de brandmeester en commandeurs worden voorzien van bordjes “brandmelding”. Bij deze personen kan brand gemeld worden. Zij zullen het overige personeel alarmeren, door langs te gaan bij de personen. (ordonnans) Indien de brand te bereiken is van de waterleiding wordt de kerkklok niet geluid. Indien de noodzaak is voor gebruik wordt van de brandspuit dan wordt de kerkklok geluid voor de bedieners voor de handbrandspuit. Branden periode 1921-1930In de periode van 1921 tot en met 1930 is er totaal 7 maal brand met schade in beide dorpen. Er is slechts 1 landbouwbrand met schade in Zoetermeer (de brand bij "Van de Marel"). In dezelfde periode is 6 maal brand met schade in Zegwaart. Eenmaal in een groothandel, eenmaal in een bedrijf, eenmaal industrie en 3 maal een landbouwbrand. "Het Brandjaar 1931"Het jaar 1931 is een uitzonderlijk druk jaar voor de brandweer. Enkele van de ze branden zijn moedwillig aangestoken en op een specifieke dag zijn wel 5 branden. Voor een aantal branden op een locatie wordt zelfs een beloning uitgeschreven voor tips die leiden tot aanhouding. Een andere brand in het dat jaar haalt zelfs de landelijk pers. In deze de krantenartikelen wordt de kwaliteit en en het functioneren van de brandweer aan de kaart gesteld. De branden en het functioneren van de brandweer daarbij, zijn aanleiding voor een in Zoetermeer wonende gravin om een brief te schrijven naar de burgemeester om haar beklag te doen. De kritieken zorgen voor betere afspraken en beschreven instructies voor het brandweerpersoneel.
Ontstaan Gemeente Zoetermeer (1935)De dorpen Soetermeer en Zegwaart worden op 1 mei 1935 samengevoegd tot één gemeente, de gemeente Zoetermeer. De nieuwe gemeente heeft dan 4500 inwoners. Brandweer Zoetermeer organisatie anno 1935:
Eerste samenwerkingsafspraken met buurgemeentes (1935)Een eerste verzoek tot samenwerking op gebied van de brandweer tussen gemeentes komt vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1930 met een circulaire. Aanleiding hiervoor is het rampzalige jaar 1929, dat naast de economische crisis door de "beurskrach", ook te maken heeft met strenge vorst en vele verwoestende branden in gebouwen en later in natuurgebieden. In 1935 worden door nieuwe gemeente Zoetermeer voor het eerst afspraken gemaakt met omliggende gemeentes ten aanzien van bijstand ingeval van brand of hulpverlening. De oorlogsdreiging zal hier mogelijk een bijdrage hebben geleverd aan de noodzaak tot samenwerking. Zoetermeer maakt deel van de gemeenschappelijk regeling Brandweerkring Delft, waarin deelnemen: Delft, schipluiden, Nootdorp, Pijnacker, Berkel-Rodenrijs, Vlaardingen -Ambacht, Maasland, De lier en Rijswijk. Daarnaast maakt Zoetermeer deel aan de gemeenschappelijk regeling Brandweerkring Voorburg, waarin deelnemen: Voorburg, Stompwijk, Veur (Veur en Stompwijk zijn in 1938 samengevoegd tot Leidschendam) en Nootdorp. Een belangrijk onderdeel wat vastgelegd is in de gemeenschappelijk regeling zijn de kosten voor bijstand. De korpsen met een motorspuit, kringgemeente A betalen minder voor bijstand dan de korpsen zonder motorspuit, kringgemeente B. Bijstand kan alleen op verzoek van de burgmeester of door hem gemachtigd persoon worden gevraagd. Zoetermeer heeft twee gedeeltes waarop zonder toestemming hulp kan worden geboden. Dat is Roeleveen door brandweer Nootdorp en dat is het Voorhoekje door Pijnacker. De eerste autospuit (1940)Na de samenvoeging van de beide gemeenten besluit de nieuwe gemeenteraad in 1939 eindelijk om een motorspuit aan te schaffen. De oorlogsdreiging is voor de gemeenteraad doorslaggevend om tot deze aanschaf over te gaan. Naast de autospuit wordt ook een babyspuit (draagbare motorspuit) aangekocht in verband met watervoorziening op het platteland, waarbij de babyspuit als haler wordt gebruikt. Op 16 februari 1940 wordt de autospuit geleverd.
Het brandspuithuis aan de Dorpstraat-Leidsewallen wordt voor dit nieuwe materieel ingericht en verbouwd. Aan de kopsekant worden deuren gemaakt. Gedurende de verbouw wordt het brandweermaterieel gestationeerd op het Brinkerscomplex aan de Vlamingstraat.
Op dat moment bestaat het korps uit ongeveer 20 manschappen met als commandant de heer Steenhuizen die tevens veldwachter is, 15 personen zijn aangewezen voor de autospuit, 5 reserve en 10 manschappen zijn aangewezen voor de waterleidingbrandweer. (organisatie in 1941) De paraatheid wordt geregeld door vrije instroom. Dit houdt in dat men niet verplicht is om op het alarm op te komen. De alarmering vindt nog steeds plaats door middel van een ordonnans. Dit is een aangewezen persoon die in geval van brand het brandweer personeel alarmeert op een voor afgesproken wijze. (Instructie op de ordonnans van de autospuit.) Als alle personen zijn gealarmeerd gaat de ordonnans naar de brandweergarage of naar de brand om zich te melden.
Begin Tweede Wereldoorlog (1940)De Duitse aanval op Nederland in de meidagen van 1940 begon op 10 mei en betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het Nederlandse leger legde op 14 mei de wapens neer (behalve in Zeeland), en capituleerde op woensdagmorgen 15 mei, waarna Duitse bezetting volgde. Duitsland viel gelijktijdig ook Luxemburg en België aan. Inzet van de brandweer Zoetermeer is in oorlogsdagen niet nodig geweest. De spuithuisjes aan de Voorweg en Zegwaartseweg blijven ook met de komst van de autospuit bestaan. Hier blijven trekwagens met brandweermateriaal gestationeerd voor de waterleidingbrandweer. Ook op de Leidschewallen blijft de waterleidingbrandweer aanwezig. Dit heeft mede te maken met de oorlogsituatie. Een beperking van de autospuit is dat door de rantsoenering van benzine maar beperkt gebruik gemaakt kan worden van de autospuit. In gevallen van brand zal als eerste de waterleiding brandweer worden ingezet en in tweede instantie pas de autospuit. Zelfs de handspuiten blijven blijven operationeel gedurende de oorlog. Zeker eenmaal zijn deze nog beproefd in deze periode. Hoeveel dan in dienst zijn is niet bekend. Oprichten vrijwillige brandweer Zoetermeer, brandweervereniging “De Autospuit” (1940)Het personeel van de brandweer is zo enthousiast met de nieuwe autospuit dat op 15 april 1940 de brandweervereniging “De Autospuit” wordt opgericht. Het oprichten van deze vereniging is betekend ook het op richten van de "vrijwillige brandweer Zoetermeer". Tot die tijd werden personen aangewezen door het gemeentebestuur. Vanaf dat moment melden personen zich vrijwillig aan bij het gemeente bestuur. Later veranderd deze in de personeelsvereniging “De Autospuit” die ten heden dage nog bestaat. Tijdens de oorlog wordt de autospuit nog geregeld door Tinus Erdtman gebruik om "bepaalde vrachtjes" te doen die door de bezetter niet bij bekend worden niet in dank zouden worden afgenomen. Bij de laatste brand die wordt geblust met de autospuit, op 14 oktober 1944 bij P.Rijneveen, wordt het werk van de Zoetermeerse spuitgasten bewonderd door beroepsbrandweerlieden uit Den Haag, die getuigen zijn van het optreden van de brandweer. De brandweerlieden uit Den Haag kwamen eten halen. Voor de Zoetermeerders betekende twee keer rijden om thuis te komen. Niet alleen om natte slangen weg te brengen, maar ook levensmiddelen waaraan een groot gebrek was. De autospuit wordt gevorderd (1944)Op 16 december 1944 wordt de autospuit gevorderd door de Duitsers. Alleen de babyspuit blijft achter, misschien wel per ongeluk. De vrijwilligers weten nog wat materieel te verbergen voor de Duitsers en nog tijdens de vordering spullen van de wagen te verwijderen. In de periode zonder autospuit wordt weer teruggevallen op de leidingwaterbrandweer en op de achtergebleven babyspuit, die op een omgebouwde slagenwagen achter een personenauto wordt gemonteerd, terwijl het brandweer personeel op eigen vervoer, meestal met de fiets, naar de brand gaan. Gedurende de jaren zonder autospuit vindt slechts een grote brand plaats en dat is bij foto "Studio" op 17 juni 1945. Einde Tweede Wereldoorlog (1945)Op 5 mei 1945 capituleert Duitsland wat voor Nederland het einde van de oorloog betekend. Op handspuit van de Voorweg na, zijn tijdens of na de oorlog alle handbrandspuiten "verkocht". Niemand weet meer aan wie of waar ze terecht gekomen zijn. Tijdens de oorlog is de enig overgebleven handspuit goed verstopt voor de Duitsers, die vooral veel interesse hadden voor het vele koper aan de spuit. Na de oorlog wordt nog moeite gedaan om de autospuit terug te krijgen, helaas zonder resultaat. Het voertuig was opgeslagen in een loods in Berlijn met ander gevorderde brandweervoertuigen uit Nederland. Tijdens een bombardement zijn alle voertuigen verbrand en vernietigt, zoals te lezen in het rapport terugvoering brandweermateriaal uit 1946 van de Inspectie voor het brandweerwezen. In het tijdvlak 1945 en 1946 is het commando over gedragen aan de heer J. van der Meer. Van 1946 tot 1949 ligt het commando bij de heer Van Asma. Operationeel gezien blijft de heer Steenhuizen commandant. Rangonderscheiding brandweer (1945)In 1945 worden de rangen van de brandweer vanuit het ministerie geüniformeerd. Ook wordt de basisstrekte vastgesteld voor de verschillende vrijwillige brandweer korpsen.
Start uitbreiding Dorp (1947)De stadswijk Dorp vormt de eerste naoorlogse uitbreiding van Zoetermeer. Het wordt begrensd door het Wilhelminapark, de Dorpsstraat, de Schinkelweg, Den Hoorn, de Bleiswijkseweg in het noorden, de Binnenweg/Rokkeveenseweg in het oosten, de A12 in het zuiden en de Delftsewallenwetering in het westen. In de nieuwe stadswijk worden vijf woonbuurten gerealiseerd: de Oorlogsheldenbuurt (I), de Oranjebuurt (II), de Zeeheldenbuurt (III), de Schildersbuurt (IV) en de Dichtersbuurt (V). De historische Stationsstraat markeert tevens het verschil in het karakter van de buurten aan weerszijden: het gebied ten oosten in de nabijheid van de fabrieken is opgezet als eenvoudige woonwijk (I, III en IV), het deel ten westen en met name de Oranjebuurt (II), is in zekere mate bedoeld als middenstandswijk. Aan de zuidkant wordt langs de A12 een sportpark aangelegd en aan de Binnenweg een begraafplaats. Ernaast was een industrieterrein gepland.
In 1947 treedt Zoetermeer toe tot de Zuid-Hollandse brandweerbond. Weer een autospuit (1949)Het duurt tot 19 mei 1949 dat Zoetermeer weer een autospuit krijgt. Een materieeloverzicht uit 1951 van de autospuit.
Einde spuithuisje Zegwaartseweg (1950)Met de komst van een nieuwe autospuit komt in 1950 een einde aan de waterleidingbrandweer en het brandspuithuisje aan de Zegwaartseweg. Brandwekkernet (1950)In 1941 worden de eerste plannen gemaakt voor een brandwekkernet voor het alarmeren van de vrijwilligers. Echter door onder ander de oorlog duurt het tot 1950 dat een brandwekkernet wordt geleverd. Elke vrijwilliger krijgt een brandbel (wekkerschel) in z’n woning, die aangestuurd wordt de door een centrale op het groepsbureau van de Rijkspolitie aan de Dorpsstraat 98. Alarmering geschiedt dan ook door de Rijkspolitie. In 1954 verhuist de politie en de centrale naar de hoek Juliana/ Bernhardstraat. De vrijwilligers worden geïnformeerd over de nieuwe werkwijze. Ook de inwoners worden geïnformeerd hoe ze moeten alarmeren bij brand. Een gevolg van dit systeem is dat soms op werkdagen de vrouw van de vrijwilliger moet bellen naar het werk van haar man als de brandbel is gegaan. Brandweerwet 1952Na de Tweede Wereldoorlog worden er in ons land initiatieven genomen om de organisatie van de Brandweer op rijksniveau vorm te geven. Deze initiatieven worden niet gerealiseerd. Met name de herinneringen aan de oorlogstijd zorgen voor veel weerstand tegen een centrale aansturing. De Nederlandse gemeenten zijn de mening toegedaan dat zij zelf adequaat in staat zijn om de kwaliteit van de lokale brandweer te borgen. Een belangrijk argument in dit standpunt is de lokaal georiënteerde binding van een burger ten aanzien van de veiligheid. Vanaf de Middeleeuwen werd de behoeftebevrediging aangaande de veiligheid al door de lokale overheden uitgevoerd. De primaire brandweerzorg wordt na de Tweede Wereldoorlog dan ook neergelegd bij de gemeenten. Met de komst van de brandweerwet in 1952 moest in elke gemeente een nieuwe organisatieverordening voor de brandweer worden vastgesteld. De Brandweerwet legt de goedkeuring van plaatselijke brandweerverordeningen in handen van Gedeputeerde Staten en de draagt de brandweerzorg op aan burgemeester en wethouders en er komt een brandweerinspectie en een Brandweerraad. In 1952 doet tevens de Wet Bescherming Bevolking zijn intrede. Ze voorziet in een organisatie die bekend wordt onder de naam: ‘Bescherming Bevolking’ (BB). De gemeentelijke brandweerkorpsen maken deel uit van de BB. De brandweerorganisatie wordt met name gevormd door betrokken burgers (vrijwilligers). De opleiding vindt in deze periode intern plaats. Vrijwilligers maken andere vrijwilligers wegwijs in de brandweerorganisatie.
De brandweer als onderdeel van gemeentewerken (1952)In 1952 wordt de brandweer ondergebracht bij gemeentewerken. Dit betekent dat het hoofd gemeentewerken tevens fungeert als commandant van de brandweer. De heer Kampsmit wordt commandant en is tevens hoofd gemeentewerken. De heer Steenhuizen blijft nog een tweetal jaren fungeren als vrijwillig ondercommandant, waarna hij op 63 jarige leeftijd per 1 juli 1954 eervol ontslagen als commandant. De Steenhuizen blijft wel actief voor de vrijwillige brandweer.
Nieuwe verordening en nieuwe commandant (1954)Als gevolg van de brandweer wet uit 1952 komt de gemeente in jaar later in 1954 met een verordening betreffende organisatie en beheer van de gemeentelijke brandweer. Hierin staat beschreven waaraan de basis organisatie brandweer moet voldoen. Uitgegaan wordt van 1 commandant, 1 plaatsvervangend commandant, 3 bevelvoerders, 12 manschappen en 4 personen ten behoeve van de waterleidingwaterbrandweer aan de Voorweg. Een keer per maand dient geoefend te worden.
Voor de brandweer Zoetermeer is deze verordening een begin van een
vernieuwingsproces onder leiding van
de heer M.H
Gehem die in 1954 is aangesteld als hoofd gemeentewerken
en hiermee tevens commandant is van de vrijwillige brandweer. Aan het brandweerpersoneel worden keuringseisen gesteld en elke vrijwilliger moet zicht laten keuren bij een arts. Een vast aflegsysteem wordt ingevoerd waarbij elke brandwacht zijn eigentaak krijgt.
Eerste cursus brandwacht (1954)
Daarnaast
In 1955 worden van alle vrijwilligers Het materieel van de brandweer is ondertussen ook verder uitgebreid. Zo is een schuimblussing geïntroduceerd door het gebruik van een tussenmenger, de blussing met C02 door middel van twee koolzuursneeuwblussers en is een poederblusser aangeschaft. Ook zijn 4 gasmaskers aangeschaft en diverse verlichts apparaten. Een overzicht van het materieel in 1955. In 1955 krijgen de vrijwilligers die ook een B.B. taak hebben een EHBO opleiding van de locale dokter J.H.N. de Bruijn in het groen Kuisgebouw in de Dorpsstaat. De cursus duurt 26 weken en wordt op maandag gegeven. In het zelfde jaar gaan doen 3 vrijwilligers de opleiding chauffeur pompbediende en worden de eerste twee onderbrandmeesters opgeleid die kunnen fungeren als bevelvoerder op de autospuit. De Zoetermeerse brandweer telt in 1955: 17 personen. In 1956 wordt de opleiding brandwacht 1ste klasse geven aan al de vrijwilligers met de duur van 20 weken op donderdag avond plaats. In 1957 ontvangen de eerst hun diploma. De belangrijkste punten voor het examen zijn opgesomd in dit document. Het deelnemen aan de opleidingen en oefenen is zeker niet vrijblijvend. De vrijwilligers worden aangesproken als ze afwezig zijn, op basis van de verordening. Als bij driemaal per jaar zonder geldige reden verzuimt aan een oproep gevolg te geven kan op voorstel van de commandant worden ontslagen. In een enkel geval leid dit er dan ook toe dat een vrijwilliger stopt bij de brandweer. De diploma-uitreiking voor de verschillende cursussen gaat niet onopgemerkt voorbij, want in vrijwel alle gevallen wordt ook de burgemeester uitgenodigd, die de uitreiking verricht. BrandweerwedstrijdenAl in 1956 doet Zoetermeer mee aan brandweerwedstrijden.
|
Deze site is voor het laatst bijgewerkt op 30 augustus 2011